Nederland telde zo’n 76.000 veteranen op 1 januari 2024. Het beeld dat veel mensen hebben van een veteraan is dat van een oude man in zijn tenue, gedecoreerd met verschillende medailles en erepenningen. Een beeld dat niet helemaal klopt. Onder de noemer veteranen vallen namelijk álle Nederlandse militairen en oud-militairen, die ons land dienden in oorlogsomstandigheden en tijdens vredesmissies. Eén van hen is Jeroen van Esch (48) uit Waalwijk.

Door Madeleine Vrienten

De 80-jarige bevrijding wordt in verschillende steden herdacht. Jeroen is in Wageningen en in Den Haag geweest, en heeft het bijwonen van deze herdenkingen met andere gelijkgestemden als zeer indrukwekkend ervaren. En dan met name het defilé lopen en het applaudisserende publiek waarmee de veteranen werden ontvangen. “Dat is precies de erkenning en waardering die je goed doen”, aldus Jeroen.

Kosovo

Zijn avontuur bij de krijgsmacht begon in 1997. Jeroen, toen 20 jaar jong, wist nog niet goed in welke richting hij het moest zoeken. Defensie trok hem wel, ook vanwege de mooie verhalen die hij erover had gehoord van vrienden. Er kwam een vacature voor vrachtwagenchauffeur voorbij en het idee om via deze weg in het bezit van zijn rijbewijs te komen, sprak hem ook wel aan. Met deze motivatie meldde Jeroen zich vrijwillig en werd aangenomen als beroeps bepaalde tijd. Op voorwaarde dat hij eerst twintig overtallige kilo’s zou kwijtraken, wat hem is gelukt met sporten en een streng dieet.

De basisopleiding van zes maanden heeft hij in Ermelo doorlopen en twee jaar later, in 1999, mag Jeroen het geleerde in de praktijk gaan toepassen: Hij wordt uitgezonden naar Kosovo. Het doel van de missie is het gebied daar veilig maken en weer opbouwen.

Via de luchthaven Skopje in Macedonië werd er materieel ingevlogen wat Jeroen als vrachtwagenchauffeur naar Kosovo moest brengen. “Ik herinner mij nog dat het gebied aanvankelijk compleet uitgestorven was; de bewoners waren gevlucht. Een maand later was de basis gelegd, de tentenkampen gebouwd en werd het gebied veilig verklaard, waarna de bewoners terugkeerden.”

De periode van 6 maanden welke Jeroen is uitgezonden naar Kosovo heeft hij als overwegend positief ervaren. Vanzelfsprekend zijn er ook indringende gebeurtenissen geweest. “Zo werd ik eens ingezet als chauffeur van een jeep om vooraan in een colonne van vrachtauto’s te rijden. Van de infrastructuur van wegen was door de oorlog niet veel over en het was mijn taak om de weg vrij te maken voor de vrachtauto’s achter mij. Dit hield in dat ik tegenliggers - soms letterlijk - van de weg moest rijden. Dit doe je gewoon, er is geen alternatief.”

De militaire eenheden werden belaagd door de plaatselijke bevolking die weinig tot geen middelen tot haar beschikking had in die periode. De opdracht was om de mensen niets te geven. Maar militairen zijn ook gewoon mensen, en dus werd hieraan na verloop van tijd niet altijd gehoor gegeven. Met als gevolg dat er soms hordes bedelende kinderen rondom en soms aan de vrachtauto hingen. “Op een keer ging dit bij het onderdeel van een andere nationaliteit ontzettend mis en is hierbij een kind om het leven gekomen. Vanaf die dag mocht je de kinderen niet alleen niets meer geven, maar moest je hen van je auto afslaan zodra ze in de buurt kwamen.”

Wat ook indruk heeft gemaakt was de zoektijd naar overleden lichamen die her en der verspreid over het gebied begraven lagen. Hiertoe werd een specialist aangesteld die hier (letterlijk) een neus voor had. Als chauffeur mocht Jeroen de man begeleiden op zijn speurtocht. “Nog altijd brengt de geur van bijvoorbeeld een kadaver me terug naar deze momenten in Kosovo.”

Terugkeer

Gelukkig verliep zijn transitie terug de burgermaatschappij in, na vier jaar krijgsmacht, aardig soepel. Vrijwel moeiteloos wist hij zijn oude patronen weer op te pakken. Jeroen realiseert zich dat niet elke militair zo’n soepele landing terug de maatschappij in maakt en heeft dit bij enkele van zijn directe kameraden ook zien gebeuren. “Wanneer je lekker in je vel zit en behoorlijk sociaal bent ingesteld, lukt het wel om je verhaal te delen. Het is belangrijk om gehoord en gezien te worden. De mensen in je omgeving kunnen niet begrijpen wat je hebt meegemaakt, dat kunnen slechts je kameraden.”

Het is algemeen bekend dat met het uitoefenen van uniforme beroepen het ontwikkelen van Posttraumatische Stressstoornis (PTSS) beslist niet uitzonderlijk is. Volgens Jeroen is het heel belangrijk dat hier meer aandacht voor komt. Ook vanuit defensie. “Voorheen bestond de nazorg uit het invullen van een checklist en een gesprek dat zich beperkte tot het beantwoorden van de vraag: ‘hoe is het?’ Nu wordt hier gelukkig wel anders mee omgegaan.” Defensie is zich meer bewust van de gevolgen van een uitzending, wat in de praktijk betekent meteen ‘inchecken’ na een missie.

Er wordt sneller en adequater ingezet op begeleiding en hulpverlening. Daarnaast is het taboe op mentale en psychische klachten in de loop der jaren minder geworden, waardoor ook stoere militairen minder schroom ervaren om aan de bel te trekken.

Het veteraan-zijn betekent voor Jeroen dat hij met regelmaat aansluit bij diverse gelegenheden waar de mogelijkheid is om ervaringen uit te wisselen en elkaar te ontmoeten. In de afgelopen jaren heeft hij meerdere reünies bezocht van zijn onderdeel. Binnenkort staat er voor de eerste keer sinds zijn uitzending een reünie op de planning van zijn eigen eenheid, waar hij erg naar uitkijkt.

Vrijheid

Wat voor Jeroen, in het licht van de 80-jarige bevrijding, belangrijk is? “Ik vind het heel belangrijk om gebruik te maken van het stemrecht zoals we dat hier kennen. Voor ons misschien de normaalste zaak van de wereld, maar ook dát is vrijheid. We beseffen soms niet helemaal wat vrijheid betekent. Begrijpelijk ook, want pas wanneer je ‘de andere kant’ hebt ervaren weet je wat vrijheid werkelijk inhoudt. De huidige generatie weet niet wat het is om vrijheid te ontberen, en ervaart vrijheid als een vanzelfsprekendheid. Daarmee wordt die vrijheid ondergewaardeerd. En dus is het goed om hier bij stil te staan en de verhalen te blijven vertellen. Er zou wat mij betreft wel meer waardering, erkenning en respect mogen zijn voor de mensen die hun leven in de waagschaal hebben gesteld voor de vrijheid.”