Door Bert Meijs
Opnieuw in dienst bij een leger
Catharine verstaat echter geen Nederlands en ze valt flauw neer. Omdat er in de kamer een windscherm staat kunnen zijn bewakers zich niet allemaal tegelijk met Paul bezighouden. Alles en iedereen is op dat moment in rep en roer en men is druk bezig om Catharine weer tot haar positieven te brengen. Paul vraagt om een glas sterke drank. Als hij dat krijgt aangereikt werpt hij dat glas met inhoud en al in het gezicht van zijn bewakers. Hij springt op de tafel, rukt het venster open en duikt naar buiten de straat op. Daarbij verliest hij zijn schoenen en hij scheurt zijn kleren. Men zet de achtervolging in op Paul. Aan de overkant hangt een vrouw over de onderdeur van een huis (destijds waren de deuren van sommige huizen in twee helften verdeeld). Paul roept haar toe: “Uit de weg, Theresia!" en hij springt over de onderdeur, rent het huis door en dan weer naar buiten. Daar klimt hij op de hooizolder en na een bang half uur, als het rumoer op straat een stuk minder is geworden, durft hij verkleumd van de kou en halfdood van angst, de zolder weer te verlaten. Hij gaat naar het huis aan de overkant van de straat, daar wonen goede kennissen. Paul wordt met veel begrip en medeleven door deze familie ontvangen en verzorgd. Hij treft daar nog een oude makker, die bij zijn zusters woont. Gelukkig is hij voor even in veiligheid en hij komt na enige tijd tot rust. Paul vraagt die vroegere vriend om naar het huis van zijn oma te gaan om daar eens te kijken wat er zoal gebeurd is. Die gaat eens poolshoogte nemen en hij vertelt Paul dat zijn opa heel teleurgesteld en boos is over de gegeven raad van de te nemen strenge maatregelen. Alles is er in verwarring en zijn bewakers zijn naar huis gegaan en ze werden daarbij door de opgekomen nieuwsgierigen, die op de hand van Paul zijn, uitgejouwd. Zijn vriend heeft ook vernomen, dat zijn oma zich gedurende al de tijd dat hij daar geweest is, opgesloten heeft gezeten in een kamer. Als bewaker had ze bij zich een zekere Tabbers met een vrouw, maar dat hoorde Paul pas veel later. ‘s Middags gaat zijn vriend weer terug naar het huis van zijn oma en hij hoort daar van de dienstmeid, dat men Catharine een flinke som geld heeft geboden, als zij weer naar Frankrijk teruggaat, maar dat is ze standvastig blijven weigeren.
Royal Liegeois, 1788 (New York Public Library)
Soldaat
Paul besluit een einde aan zijn gedwongen schuilplaats te maken en hij gaat diezelfde avond naar Besoijen om zich te melden bij luitenant Van der Put van de Dragonders om als dragonder dienst te nemen. Zo gezegd en gedaan gaat hij ernaar toe en na enig overleg krijgt hij als begeleider een dragonder mee; samen gaan ze over met de sneeuw bedekte ongebaande wegen op pad en marcheren over 's Gravenmoer naar Breda. Hier meldt hij zich bij majoor Moraquin van de Dragonders om dienst te nemen, op voorwaarde een trouwbriefje te krijgen. Helaas voor Paul wordt deze voorwaarde niet aangenomen. Daarna gaat hij naar Etten, overnacht daar en de volgende dag overnacht hij in Bergen op Zoom. Daar stelt hij zich voor aan kolonel Gordon, kommandant het regiment Infanterie van generaal Van Nyvenhem, nu om als soldaat dienst te nemen, onder voorwaarde van een trouwbriefje. Ook hier wordt dit weer geweigerd.
Wat nu te doen? Hij heeft geen geld geen paspoort, en hij wil eigenlijk bij zijn geliefde Catharine zijn. Hij had in Bergen op Zoom geen vrienden of kennissen die te hulp kunnen schieten. Hij vertelt kolonel Gordon daarom over de situatie waarin hij terecht is gekomen en voor twaalf dukaten handgeld treedt hij nu in dienst als soldaat. De kolonel is erg begaan met de benarde omstandigheden waarin Paul verkeert. Paul wordt door een zoon van kolonel, die officier is in het regiment, naar het logement de Gouden Leeuw gebracht om daar te overnachten.
De volgende dag krijgt hij kleding, zijn handgeld en vervolgens wordt Paul tijdens de parade voorgesteld. Paul wil eigenlijk dat hij niet gaat opvallen, maar direct na de parade wordt hij herkend door drie muzikanten die hem nog kennen van zijn eerdere dienst.
Terwijl hij nadenkt over al zijn belevenissen, vindt hij het eigenlijk ook wel vernederend dat hij nu in plaats als officier soldaat is geworden. De volgende dag vraagt hij de kolonel voor acht dagen verlof om naar Waalwijk te gaan. Dat wordt toegestaan en hij marcheert dezelfde dag, in zijn nieuwe uitmonstering, de sabel op zijn zij en met de ransel op de rug, over de heide. Tussen Roosendaal en Etten komt hij een rijtuig met vier officieren tegen, die hem voor een deserteur aanzien. Na hun zijn paspoort getoond te hebben kan hij echter weer verder naar Etten. Daar overnacht hij in zijn vorige kwartier en de volgende dag gaat hij op weg naar Breda.
Als hij dwars door de stad loopt wordt hij herkend door een bekende, Willem Crystie. Paul moet of hij wil of niet mee naar het huis waar Willems moeder en zusters wonen. Zij onthalen hem heel vriendelijk en wat er gebeurd is in Waalwijk is hun al lang bekend. De zus van Crystie, juffrouw Anna Maria Crystie, biedt Paul haar spaarpot aan (over haar zullen wij nog meer lezen). Diep geroerd door de edelmoedigheid van het meisje, weigert hij dit aanbod aan te nemen. Omdat ze blijft volharden in haar aanbod, zwicht Paul na verloop, en hij gaat uiteindelijk op haar aanbod in (korte tijd daarna heeft zijn opa het bedrag aan haar terugbetaald).
