Door Bert Meijs

Op de vlucht met de eerste liefde

In zijn logies komt Paul drie officieren tegen die hem aanbieden om met hen mee naar Bethune te rijden en naar evenredigheid mee te betalen in de kosten van de koets. Samen met een luitenant huurt hij daar een kamer, en als hij zijn geld telt blijkt dat hij na betaling van het rijtuig zelfs nog 60 gulden rijker is dan bij zijn vertrek uit Waalwijk.

Hij gaat schermlessen volgen met zijn kamergenoot. Maar na enige tijd krijgen ze woorden met elkaar en er volgt een tweegevecht (duel). Ze brengen elkaar verwondingen toe, maar dan is de zaak voor hen afgedaan. Om kosten te besparen vestigt Paul zich in een klein dorpje, Blandeck geheten, in de omgeving van St. Omer. Door zijn leefstijl, mogelijk gemaakt door zijn goed gevulde beurs, krijgt hij al snel de naam van 'le riche Hollandais'.

Geïnspireerd door de omgeving en door romantische wandelingen wordt hij verliefd op Catharine B. (de achternaam is niet genoemd). De liefde is wederzijds, maar Catharine laat hem weten dat als haar vader het te weten komt zij opgesloten gaat worden. Hij stelt haar voor om samen naar Heusden te gaan en daar aan zijn grootouders toestemming te vragen om samen te mogen trouwen. Zij vluchten daarom naar Brussel. Daar stuurt hij een brief naar zijn opa en legt hem zijn situatie uit, ook zijn financiën raken op. Als antwoord krijgt hij een bedrag van 100 kronen toegestuurd.

Ze besluiten nu te vertrekken en gaan naar St. Omer. Vandaar gaan per rijtuig via onder andere Nieuwpoort naar Brugge, en vandaar via Gent naar Brussel. Als ze in Brussel verblijven worden ze na een paar dagen, als ze in een park wandelen, door een familielid, de heer Leemans, aangesproken, die aan Paul vraagt of het meisje dat bij hem is zijn geliefde is? “Ja”, antwoordt Paul. “Zij kan nooit de uwe worden", zegt daarop Leemans (niet duidelijk is wie die Leemans precies is). “Het musket neem ik eerder op de schouder dan dat ik haar verlaat”, is zijn antwoord, waarna de man verdwijnt. De volgende dag, ‘s morgens om zeven uur, wordt er aan zijn deur geklopt. Een heer komt binnen met de mededeling dat hij, in opdracht van zijn voogden aan Paul moet vragen of Paul al dan niet van zijn beminde Catharine wil scheiden. Paul vraagt hem binnen twee uur terug te komen en dan zal Paul hem zijn besluit vertellen. Maar de man is nauwelijks de trappen af of zij gaan ervandoor. Met een extra postwagen reizen via Mechelen, Antwerpen en Breda naar Oosterhout. Vandaar schrijft hij een brief naar bekenden van hem om te polsen of hij over kan komen. Het antwoord is: ja, en ze vertrekken daarop uit Oosterhout en komen 's avonds in Waalwijk aan.

Ansichtkaart. Grotestraat en Markt,, gezien naar het noordwesten. Rechts café de Korenbeurs, gesloopt in 1937. (bron: collectie Salha)

Ansichtkaart. Grotestraat en Markt,, gezien naar het noordwesten. Rechts café de Korenbeurs, gesloopt in 1937. (bron: collectie Salha)

Hulp of verraad?

Het is in het begin van de strenge winter van 1788. Hij is blij als hij aanbelt bij het huis van zijn oma (van vaderskant, Jacoba van Nederveen, overleden in 1790). Paul en Catharine worden binnengelaten en de dienstmeid zegt dat ze de opdracht heeft gekregen ieder een eigen kamer te geven. Paul vindt dat een goed teken en dus een goed vooruitzicht. De volgende dag krijgt hij ‘s morgens bezoek van zijn oom (Scholt, gehuwd met een zus van zijn moeder), een gepensioneerde majoor die sinds kort in Waalwijk woont. Hij zegt al lachend tegen Paul: ”Ik heb vernomen, dat je een Franse vrouw hebt meegebracht en ik popel om haar eens te mogen zien.” Paul vraagt aan de dienstmeid haar binnen te laten. Zijn oom gaat vriendelijk met Catharine aan de praat en hij belooft dat hij met de grootouders en voogden zal praten en hen beiden waar mogelijk te helpen. Vervolgens, zegt hij, dat hij wel voor een baan in de Oost- of West-Indië kan zorgen (Indonesië of Berbice en Suriname). Paul en Catharine bedanken hem voor al zijn belangeloos aangeboden hulp. Hij wil wel dat zij zo onopvallend mogelijk in het huis verblijven, zodat ze in Waalwijk niet in opspraak komen. Zij beloven hem dat zeker te doen. Uiteraard zijn ze nu gerustgesteld en tevreden over dit eerste gesprek, en die tevredenheid neemt nadien alleen maar toe door zijn verdere dagelijkse bezoeken en gesprekken.

Ondertussen is de dienstmeid zo behulpzaam als maar mogelijk is en ze probeert zoveel mogelijk hun vertrouwen te winnen. Voor de grap zegt ze: ”Dat zij nu wel een schoon geschenk op haar bruiloft zal krijgen.” Na een dag of acht komt zijn oom ze waarschuwen, dat zijn grootvader uit Heusden bij hem is aangekomen en dat hij de volgende dag bij hen op bezoek komt. Hij zegt tegelijk dat als Paul zijn begane fouten en misstappen gaat bekennen, en om vergiffenis daarvoor zal vragen, alles vergeten en vergeven is en zij direct in ondertrouw kunnen gaan. Paul en Catharine wachten de volgende dag met spanning af.

De oom komt in de morgen van de volgende dag binnen en enkele ogenblikken later volgt zijn opa. “Ga zitten”, zegt hij. “Je wordt gearresteerd, ik heb de sterke arm in huis.” Direct daarna komen er vijf of zes mannen naar binnen, die ze uit Besoijen hebben laten komen omdat 'ze de Waalwijkers niet vertrouwen'. “Vogel" ,zegt zijn oom. “Nu heb ik je in de knip.” Paul behandelt zijn oom met de grootste minachting en hij wil zich met een tang en een blaaspijp (gereedschap dat bij de haard ligt) verdedigen. Hij wordt echter door de mannen overmand en in een hoek geworpen en bijna had men hem zelfs vastgebonden. Hij blijft nu stil en gelaten zijn lot afwachten.