Door Bert Meijs
Gokverlies en een onverwacht bericht
Nadat Paul en zijn metgezellen zijn toegelaten tot de garde Zwitsers brengt Paul hen naar de kazerne in Ruelles en gaat daarna terug naar Parijs. Daar blijft hij rondhangen in de hoop bij een Franse Compagnie in dienst te kunnen treden. In de hoop dat hij net zoveel geluk heeft als eerder, gaat hij gokken in het 'Palais Roijal' (roulette). Maar het geluk is er nu niet en hij verliest de helft van zijn geld.
Catharine laat hem per brief weten dat ze bevallen is van een zoon, wiens voornaam niet wordt vermeld. Paul gaat na dit bericht blij op zoek naar een mogelijkheid om zo goedkoop mogelijk naar Brussel af te reizen. Hij vindt al snel een koets naar Brussel, betaalt vooruit voor de reis, geeft zijn reiszak en zijn adres in Brussel af. Hij wil nog een poging wagen om met gokken zijn geld te vermeerderen maar ook nu gaat het mis. Na verloop van tijd heeft hij bijna al zijn geld vergokt. In een koffiehuis valt hij in slaap en wordt pas om 6 uur wakker. Zijn koets is echter al om 4 uur vertrokken naar Brussel. Gedreven door de wil om Catharine te zien gaat hij op pad en komt na een dag of drie, zo goed als platzak, in Brussel aan. Zijn bagage is daar al afgegeven bij zijn adres en hij krijgt nog 3 kronen terug van de voerman. Blij gaat hij op pad naar Antwerpen, waar hij Catherine en kind gezond en wel aantreft.
Gezinsgeluk maakt plaats voor verdriet
Ze reizen bijna direct af naar Rijsel (Lille). Catharine heeft daar een nicht wonen en ze denkt dat ze bij haar nicht welkom zal zijn. Inderdaad zijn ze welkom en kunnen bij haar komen wonen. Helaas sterft het zoontje daar al na acht dagen.
Paul sluit zich aan bij de Patriotten
In Rijssel hoort hij dat er van alles aan de hand is rondom Breda en dat er een omwenteling aanstaande is in Brabant. Paul ruikt zijn kansen, neemt afscheid van Catharine en reist op 28 september af naar Breda. Daar aangekomen wordt hij al snel als tweede kapitein bij de Jagers aangesteld in de compagnie van de bejaarde Franse majoor Bonne d’Aronval.
Hevige strijd om Turnhout
Op 23 oktober krijgen ze de opdracht om naar Groot-Zundert af te marcheren. Ze zijn dan ongeveer 1.000 man sterk en staan onder het opperbevel van generaal Vander Mersch (bijgenaamd de Belgische Washington). In het kasteel Hof te Laer te Groot-Zundert liggen geweren opgeslagen die bestemd zijn voor de manschappen. Gewapend gaan ze op weg en via Hoogstraten komen ze op 25 oktober in Turnhout aan. Als men hoort dat Turnhout is ingenomen door de Patriotten komt al snel een leger van 3.500 geoefende soldaten naar Turnhout. Als die beginnen te schieten zoekt iedereen een schuilplaats, vooral in de burgerhuizen. Het is dan ongeveer half zeven. Een uur later trekken de troepen Turnhout binnen en de Patriotten laten hen ongehinderd de stad binnentrekken. Dan opeens vliegen overal de ramen open en beginnen de Patriotten te schieten. Tot ongeveer 11 uur vliegen de kogels de vijand om de oren. Het bevel 'zie je te redden' klinkt en de troepen slaan onder een kogelregen, waardoor er veel slachtoffers vallen, op de vlucht. Sommige straten liggen vol met gesneuvelden. De Patriotten hebben slechts 11 man verloren en ze hebben 3 kanonnen, munitie en dergelijke buitgemaakt.
Opmars en bevordering tot kapitein
Als Vander Mersch hoort dat de Oostenrijkers in aantocht zijn, vertrekt hij weer met zijn troepen naar Zundert. De geweren worden weer opgeborgen en het geschut en de kruitwagens worden naar Baarle-Hertog gebracht. Na drie weken trekken de Patriotten, inmiddels versterkt met een paar honderd man extra, weer naar Turnhout en daarna via Geel naar Diest. Hier zit het Oostenrijkse leger. Ze schieten de poort open en vallen Diest binnen. Na een hevig gevecht is om ongeveer 6 uur ‘s avonds de stad in hun handen. De volgende dag trekken ze naar Tienen. Hier wordt het zogenaamde Vrijcorps opnieuw ingedeeld en Paul wordt tot kapitein bevorderd over een compagnie van 480 man. Na een wapenstilstand van drie weken trekken de Patriotten eind december op in de richting van Leuven. De Oostenrijkers trekken zich overal terug en honderden mannen lopen over naar de Patriotten. Als ze oprukken naar Namen wordt de citadel aldaar, zonder tegenstand te bieden, door de Oostenrijkers verlaten.
Verkenningstocht levert onverwachte buit op
Als ze verder trekken wordt Paul vooruit gestuurd om de boel te verkennen. Een paar kanonniers, die de weg goed kennen, waren ver voor iedereen in de buurt van een dorp gekomen. Als ze stemmen horen, lossen ze een schot en alle vijandelijke troepen zijn al vertrokken als Paul met zijn troepen arriveert. Hier vinden ze ook een achtergelaten os die al geslacht was en die dus heel welkom is. Korte tijd daarna arriveert generaal Dolomnieu met enkele compagnieën Jagers. Samen trekken ze op naar een plaatsje in Luxemburg.
Een onterechte beschuldiging en een bijzondere ontmoeting
Het is dan januari 1790. In Hanuit komt Paul tijdens een inspectie in de gevangenis een gevangene tegen die beschuldigd wordt van spionage. Paul gelooft in zijn onschuld en op zijn voorspraak wordt hij ontslagen uit de gevangenis en tot bediende van Paul aangesteld. Korte tijd daarna wordt de bediende, Laurens geheten, door Paul verdacht van diefstal van hemden van een kamerdienaar. Als snel blijkt echter dat een door Paul aangestelde foerier die hemden gestolen heeft, en Laurens wordt weer vrijgelaten. De foerier moet van Paul maken dat hij wegkomt, hij wil hem niet meer zien. Twee jaar later komt Paul hem echter weer tegen als hij de foerier in Luik herkent als een officier in een regiment Huzaren.
