Door Bert Meijs

De eerste gokpogingen

Al snel krijgen de scherpschutters het bevel naar Utrecht te marcheren. Daar meent Paul, gestoken in een uniform, al in de grote wereld beland te zijn: biljart, kolfbanen en ‘s nachts dobbelen (gokken), voorzien van een mooie meerschuimen pijp. Paul heeft familie in Utrecht wonen en zij nemen hem direct in hun kring op. Dat komt Paul goed uit want hij heeft zijn oog laten vallen op het meisje Carolina B. Hij schrijft daarover: 'Een deugdzaam en beminnelijk meisje en zij scheen niet ongevoelig voor mijn oplettendhede, er ontstaat daarop tussen ons een zekere overeenkomst van gevoelens.' De gevolgen blijven dan ook niet uit, zullen we later nog merken.

Ondertussen is hij druk met zijn dienstplicht, hij doet zijn uiterste best om het de hogere officieren zo goed mogelijk naar de zin te maken, waardoor die zijn andere tekortkomingen (hij schrijft niet welke die zijn) compenseren.

Patriottisch korps Ulanen

Intussen wordt er een patriottisch korps Ulanen opgericht, onder de bevelen van kolonel baron Van Kleinenberg, voormalig overste van het vrijkorps Maillebois. De cavalerie is Paul aantrekkelijker dan de dienst bij de scherpschutters. Paul sluit daarom al snel een akkoord met kolonel Kleinenberg en koopt een luitenantsplaats in zijn korps voor 100 gouden rijders (14 gulden per stuk).

Al snel verlaat het korps de stad Utrecht en het wordt na enkele kleine gevechten met de Pruisische troepen te Ouderkerk in de omgeving van Amsterdam ingekwartierd. Even later krijgen ze het bevel naar Heusden te marcheren. Paul moet in Amsterdam eerst nog wat zaken afhandelen waarvoor hij verlof heeft gekregen. Bij terugkomst staat hij voor een gesloten poort maar gelukkig komt hij in contact komt met ritmeester Caron. Die neemt hem zogenaamd als knecht mee, maar al snel worden ze gevangengenomen door de Pruisen. Paul krijgt nu het bevel om samen met een onderofficier een voertuig in beslag te nemen. Ze kunnen niks anders dan een melkwagentje bemachtigen en daarmee rijden ze naar Utrecht en van daar ongehinderd naar Heusden. Drie dagen na hem marcheert zijn corps Heusden binnen en enige dagen later worden alle Ulanen afgedankt en daarmee ook hij als hun luitenant. Hij wordt daarop weer luitenant bij de eerdergenoemde scherpschutters, met wie hij vervolgens naar Geertruidenberg moet marcheren. Daar aangekomen hoopt hij er in garnizoen te kunnen blijven, maar zij worden afgedankt en ze moeten hun wapens bij het arsenaal inleveren.

Patriottenvaandel Raamsdonk.

Patriottenvaandel Raamsdonk.

Keizer van Oostenrijk

Paul verlaat daarop Geertruidenberg en hij verzamelt ongeveer 80 afgedankte soldaten en drie muzikanten. Met dat korps komt Paul dezelfde avond te Waalwijk aan. Hij is van plan naar de Oostenrijkse Nederlanden te trekken en daar zijn diensten aan de keizer van Oostenrijk aan te bieden. Paul heeft geen geld en hij wil daar eerst in Waalwijk aan zien te komen. Ze blijven daarom die nacht in Waalwijk en zijn mannen gedragen zich heel gedisciplineerd, het is net alsof zij nog steeds in dienst zijn. Met het aanbreken van de dag wordt Paul gewaarschuwd dat er een compagnie Pruisische Huzaren van het regiment Von Goltz in aantocht is, en dat de kwartiermakers al in Baardwijk zijn aangekomen. Hierdoor gaat zijn plan niet door en hij moet noodgedwongen afscheid nemen van zijn metgezellen. Hijzelf blijft in Waalwijk en maakt onmiddellijk kennis met de bevelvoerende Pruisische ritmeester.

Uit het voorgaande blijkt dat wat hij als militair in dienst van de patriotten verrichtte, iets wat hij met bijna al zijn kameraden gemeen had, eigenlijk niet zoveel voorstelde. Want als de Pruisen, door Frederik Willem II naar Nederland gezonden om de stadhouderlijke regering te herstellen, verschijnen, gaan ze er vandoor of ze geven zich over. Bijzonder is het ook dat Paul, na als militair in dienst van de patriotten te zijn afgedankt, in dienst wil gaan bij de tegenstander, de keizer van Oostenrijk.

Winst van de markies

Paul is niet meer in dienst en hij besluit daarom naar Frankrijk te vertrekken omdat hij dat mooie land wel eens wil bezoeken, maar tegelijk om daar ook weer aan de slag gaan. Hij vertrekt om een uur na middernacht op 1 januari 1788, naar Breda; dezelfde dag komt hij met de postwagen te Antwerpen aan en de volgende dag in Brussel. Ook daar valt er voor hem van alles te beleven. Na een paar dagen komt hij in een koffiehuis markies De Puget tegen, een voormalig ritmeester. Hij vertelt tegen Paul dat hij daar dagelijks komt om er het kaartspel 'à la Triumph' te spelen. Hij zei dat hij daar heel erg in bedreven was. Als Paul zou wedden op zijn winsten tijdens het spel, zou dat Paul geen windeieren opbrengen. Kort daarna verschijnt er een oudere man met zijn borst vol met ridderordes. Ze beginnen te kaarten en Paul zet geld in op de eventuele winst van de markies. In het begin is zijn beurs goed gevuld met gouden dukaten, maar na verloop van tijd is hij al zijn geld bijna kwijt. Het laatste beetje zet hij in en voorwaar de eerste winst van de markies is binnen en dus ook voor Paul. De markies wint nu zelfs 13 keer achter elkaar en Pauls beurs raakt weer aardig gevuld. Hij heeft waarschijnlijk zijn eerdere verlies weer terug gewonnen. Dan ontstaat er een meningsverschil tussen de beide heren en Paul maakt van de gelegenheid gebruik om er tussenuit te knijpen en terug te keren naar zijn logies.