Over de spoorlijn, tussen de Voshoornweg en de Paterswiel, lagen vroeger wat huisjes, die in Waspik het ‘Strooidurp’ werden genoemd. Dit omdat de meeste huizen een strooien dak hadden. In die huisjes woonden vaak grote gezinnen. Gesprekken met oud-bewoners leveren een markant beeld op van een authentieke enclave binnen de grenzen van Waspik. Wim Donks en Drik en Ria Langermans vertellen over die tijd, halverwege de vorige eeuw.
Het leven in het Strooidurp
Wim Donks wil niet van échte armoede spreken: “Er zijn bij ons van de zestien kinderen drie overleden. Maar niet van de armoe. Wij hadden altijd genoeg te eten! Vader was een behendige stroper (stropers zijn jagers zonder vergunning) en kwam thuis met hazen, patrijzen, ganzen, eenden, noem maar op. Verder werd er volop gevist en vingen we snoeken met een houtje en een ijzerdraadstrik. Wat we vingen, verdeelden we onder de arme mensen in Waspik.“ Ook werd naar eieren gezocht. Vaak eendeneieren. “Als je wilde weten of zo’n ei bebroed was, dan moest je het in het water leggen. Bleef het ei plat liggen, dan was het niet bebroed. Helde het ei, dan was het wel bebroed en werd het terug in het nest gelegd.”
Drik Langermans bevestigt dat er veel uit de natuur werd gehaald. “We waren ’s avonds veel weg om te vissen in de polder, snoeken te vangen of hout te hakken.“ Zus Ria vult aan: “We hadden zelf een tuin, we kwamen niks tekort! De meisjes werkten in huis. We breiden kousen en borstrokken. Oudste zus Dina zat achter de Singer; zij werkte, net als heel veel andere Waspikse meiden, overdag bij Puijenbroek. Hele bussen reden er toen vanuit Waspik naar Goirle.”
Wim: “We waren ook kerngezond! We waren altijd buiten, in de natuur, op de wiel. We bouwden volop natuurlijke weerstand op. Het was een prachtige tijd. We hadden niks, maar we hadden alles!” Moeder speelde een belangrijke rol en was de spil om wie alles draaide. “Moeder was ook heel zuinig op ons! Zozeer zelfs, dat ze de jongens, toen ze nog klein waren en niet konden zwemmen, aan een touw aan de palen tussen het huis en de wiel vastbond”, lacht Wim.
Natuurlijk waren de mensen zuinig. Drik: “Ons vader gebruikte, als het moest, alle materiaal meerdere keren. Spijkers werden rechtgeslagen. Hij vertimmerde alles. Een olievat veranderde in de oorlog in het dak van het schuilhok, naderhand maakte hij er weer een houthok van. We groeven ook, van omgezaagde bomen, het onderhout op, dat we in de kachel gooiden. Zo hebben we nog eens een schoorsteenbrand gehad, bij het spek roken. Dat deed je allemaal zelf; je slachtte tweemaal per jaar een varken en het vlees werd ingemaakt, gezouten, gerookt en noem maar op. We hebben de brand zelf geblust door zandzakken in water te drenken en die op het vuur te gooien. Zo doofde het uit. We gingen daarna gewoon naar bed, met zwarte beroete voeten en al.”
Het gehele artikel is verschenen in De Senspaol nr. 65 van de Heemkundekring Op ’t Goede Spoor.
