Gek werd ik ervan. Poes Vera had de lente in de bol. Ze had last van lentekriebels, zullen we maar zeggen. De krolse kat moest gauw geholpen worden. Maar ik kreeg er een andere kat voor terug.
Ze is hier nog maar een paar weken. Een mooie Ragdoll, voor de kenners. Via Markplaats opgevist uit een gezin waar ze niet meer op haar plaats was. Andere katten en de hond waren te veel voor haar. Sterk vermagerd en onvoldoende gekamd, en een Ragdoll heeft véél haar, namen we haar mee. ‘Liefdevol verwaarloosd’ noemde ik het maar bij de dierenarts. We hadden haar gered. Dat voelde goed natuurlijk. Totdat ze heel klagerig en hard ging miauwen. Ze was niet gesteriliseerd. Wist ik veel wat dat betekende. Dit dus.
Inmiddels ben ik de prijzen bij de dierenarts gewend. Die beginnen bijna standaard met twee nullen bij zoiets. En of ik nog eerst een bloedtest wilde doen, wat wel aan te raden was, omdat je niet weet wat er onderliggend kan spelen. Welja joh. Dat kan er ook nog wel bij. En het was geen overbodige luxe. Vera bleek bloedarmoede te hebben en te lijden aan nierfalen. Dus ging de ingreep niet door en stelde de dierenarts voor een echo te laten doen, de door het nierfalen verhoogde bloeddruk aan te pakken en voortaan aangepast voer te geven. Kort en goed betekende het dat ik met een hogere rekening de deur uitging dan verwacht, zonder dat de ingreep gedaan was waarvoor ik kwam.
Maar daarna merkte ik dat ik Vera op een andere manier benaderde. Nu ik wist dat ze niet lekker in haar vel zat en waarom dat was, werd ik geduldiger en gaf ik meer aandacht. Dat vond ik gek van mezelf. Natuurlijk behandel je een zieke met wat meer aandacht, maar in principe veranderde er niet veel in huis, behalve dat ze ander voer krijgt.
Lijden wekt medelijden. Dat klinkt heel mooi, maar het heeft ook iets egoïstisch, realiseerde ik me. Dat klinkt misschien gek, maar ik zie heel vaak om me heen, en bespeur het misschien ook wel eens in mezelf, dat we pas mee willen leven als we weten wat er aan de hand is of waarom iemand anders doet. Als ik in een groep zeg dat ik tegen iemand heb gezegd ‘Blijf maar thuis en neem je tijd’, dan is er altijd iemand die roept: ‘Maar wat is er aan de hand dan?’ En dan niet op zo’n toon van medeleven, maar vanuit een soort voorwaardelijkheid: Als je me vertelt waarom hij tijd nodig heeft, dan kan ik het snappen en aanvaarden.
Wat hebben wij te aanvaarden van het lijden van een ander? Ergens voelt het heel onbarmhartig van mezelf dat ik die kat pas geduldiger en liefdevoller benader nu ik weet wat er aan de hand is. En zie ik om me heen dat we dat ook eigenlijk met elkaar doen. Je doet maar normaal, tenzij je zegt wat er aan de hand is. Als iemand zich even terugtrekt, of chagrijniger is dan normaal, getergd lijkt of er duidelijk met z’n hoofd niet bij is, dan is het natuurlijk liefdevol om te vragen of er iets is, maar je hebt geen récht op een antwoord. Daar gaat de ander over. En als het niet veilig voelt, te kwetsbaar of wat dan ook, dan mag die ander ook niet of ontwijkend antwoorden.
Misschien moeten we aanvaarden dat we elkaar niet altijd begrijpen, en dat daar ruimte voor mag zijn. Dus stap maar opzij als iemand gestrest door je heel lijkt te willen rennen, en zucht niet te hard als iemand weer afbelt. Je weet niet wat er speelt. En dat hoef je ook niet te weten om gewoon liefdevol ruimte te geven.
Ondertussen spint de poes weer meer. Het voer doet haar goed. Misschien is die hele ingreep niet nodig. En mag ze gewoon zichzelf zijn.
Otto Grevink is dominee in De Langstraat en verbonden aan Pioniersplek Zin op School. Reacties zijn welkom op ottogrevink@gmail.com.
