In 1833 werd in Parijs de Vincentiusvereniging opgericht door Antoine Frederico Ozanan. De vereniging werd vernoemd naar de H. Vincentius a Paulo die een bezielde organisator van charitatieve werken was. Na zijn heiligverklaring werd hij verheven tot patroon van alle ziekenhuizen en verenigingen van liefdadigheid.

Waspik kende reeds de armenzorg vanuit de gemeente en vanuit de diaconie van de protestantse kerk. Op 3 januari 1867 werd in Waspik een plaatselijke Vincentiusvereniging of ‘conference’ opgericht. Deze vereniging werd op 25 augustus 1867 officieel ingelijfd bij de St. Vincentiusvereniging van Nederland. Opvallend bij deze plechtigheid was dat de nadruk vooral werd gelegd op het eigen zielenheil der leden. Gelukkig werd in het ‘Bewijs van inlijving’ ook aangegeven dat het ging om Christelijke armenzorg, of nog liever Rooms-Katholieke armenzorg. Het is duidelijk dat de pastoor en kapelaan een stevige invloed hadden.

Geldschieters

De vereniging kende een bestuur en honoraire leden. Deze leden waren belangrijk want zij waren de geldschieters. Overigens moesten ook de bestuursleden de portemonnee opentrekken. Dat dit niet altijd een grote bijdrage was, bleek wel uit een jaarlijks verslag waarin de landelijke raad vaststelde, dat de bestuursleden maar weinig voor hun naaste in nood over hadden. Honoraire leden waren onder andere pastoor Van Iersel en burgemeester Van Zeeland. Mejuffrouw A. Schoenmakers wilde ook meedoen maar dat was een probleem, alleen mannen konden honorair lid zijn. Zij kreeg daarom de titel van ‘weldoenster’.

Gul of gierig

Als er gezinnen werden aangedragen voor hulp, moesten de leden er opaf. Dat deden ze met z’n tweeën, enerzijds naar voorbeeld van de apostelen, anderzijds omdat het praktisch was in verband met getuigenissen en om eventuele (vrouwelijke) verleidingen het hoofd te bieden. Tijdens zo’n bezoek moest goed gelet worden op de algemene toestand in huis, het aantal kinderen, de godsdienstige gezindheid en de materiële nood. Daarna moest er verslag worden uitgebracht en worden vastgesteld wat de vereniging zou kunnen doen. Soms gaf dat meningsverschillen en strijdpunten tussen gulle en gierige bestuursleden. Het ging dan bijvoorbeeld om goederen voor arme gezinnen die niet altijd werden besteld bij de zakenlieden onder de bestuursleden (lijkt sterk op verplichte winkelnering), men vond dat de gezinsleden er te netjes bij liepen om als armlastig te worden gekenmerkt, men had de vader van het gezin gezien in een café, of, misschien nog wel zeker zo erg, de leden van het gezin gingen niet naar een rooms-katholieke maar naar een verkeerde (protestantse) school. Toch blijkt uit de verslagen dat de positieve zijden van de Waspikse conference doorslaggevend waren en dat veel nood werd gelenigd.

Aandelen

Wat werd er uitgedeeld? In hoofdzaak voeding, kleding (met name om netjes naar de kerk te kunnen gaan) en linnengoed, dekens of nieuw stro voor het bed. In de winter werd voor kolen en ‘bromolie’ (voor verlichting en koken) gezorgd. Het geld voor deze goederen kwam uit collectes tijdens de vergaderingen, de bijdragen van de honoraire leden, overige giften in geld en natura, de jaarlijkse dorpscollecte en legaten die er soms niet om logen. Er kon soms geld op de bank worden gezet en later werden zelfs aandelen en grond gekocht.

Organisatorisch zat het goed in elkaar. Van ieder gezin dat werd geholpen, bestond een boekje waarin nauwkeurig verslag werd bijgehouden. Van alle werkzaamheden werd een drievoudig jaarverslag naar de hoofdraad gestuurd. Bovendien vergaderde men enkele keren per jaar met de conferences van Waalwijk, Geertruidenberg, Dongen en Oosterhout. De huidige sociale wetgeving maakt de hulp van de St. Vincentiusvereniging nauwelijks meer nodig. In Waspik vond de laatste jaarvergadering plaats in 1967.